GESCHIEDENIS 

ONTSTAAN KARATE-DO GOJU-KAI  

 

Gogen Yamaguchi Kaiso (1909-1989)   

Gogen Yamaguchi Kaiso, geboren op 20 januari 1909 te Kagoshima, gelegen in het zuidelijk deel van de provincie Kyushu, toonde op jonge leeftijd al grote interesse voor de Japanse martiale kunsten. Gedurende zijn eerste schooljaren trainde hij iaido en kendo. In die periode startte hij met karatetraining onder leiding van Takeo Maruta, een timmerman uit Okinawa. Mr. Maruta, zelf een beoefenaar van Goju Ryu karate kenpo, was geïmponeerd door de jonge Yamaguchi die zeer leergierig was en de wilskracht bezat om hard te trainen. Mr. Maruta leerde hem alles wat hij wist over het Goju-systeem.

Gedurende zijn rechtenstudie in 1928 aan de Kansei Universiteit en van 1929 tot 1932 aan de Rits­umeikan universiteit te Kyoto, vestigde Yamaguchi Kaiso zijn eerste karateclub. Al spoedig kreeg zijn dojo grote bekendheid in de stad vanwege de harde training en krachtige ademhalingsoefeningen. In die tijd trainde men alleen kata (vaste stijlvormen) en yakusoku kumite (voorafgesproken gevechtsvor­men). Het vrij vechten was onmogelijk omdat men geen regels kende om de technieken gecontroleerd uit te voeren. Yamaguchi Kaiso ontwikkelde tijdens deze periode een systeem met aangepaste regels. Hiermee werd de veiligheid van de beoefenaars gewaarborgd tijdens de vrije gevechtsvorm (Jissen kumite). Deze fundamentele verandering in het Goju-systeem voorzag de leerlingen van een grotere bewegingsvrijheid.

In 1931, op 22 jarige leef­tijd, werd Gogen Yamaguchi Kaiso voorgesteld aan Chojun Miyagi Sensei. Deze ontmoeting zou van grote betekenis zijn voor de verdere ontwikkeling en levensopvatting van Gogen Yamaguchi Kaiso. Uiteindelijk kreeg hij in 1937 van Master Miyagi de opdracht om het Goju-Ryu Karate-do als hoofdleraar verder te verbreiden in Japan. In hetzelfde jaar ontving hij de titel 'Renshi' van de Dai Nippon Butokukai.

In 1939 werd hij als officier in het Japanse leger naar Mansjoerije ge­stuurd. Daar bleef hij gedurende de gehele oorlog van 1938 tot 1945. Tegen het einde van de oorlog vielen de Russen Mansjoerije binnen en werd hij gevangen geno­men. Tijdens zijn gevangenschap werden hij en zijn medegevangenen gedwongen tot zware arbeid. Velen overleefden deze periode niet, maar Yamaguchi Kaiso die dankzij de vele jaren van hard trainen zowel fysiek als mentaal in een uitstekende conditie verkeerde, overleefde deze periode.

In 1947 keerde hij terug naar Japan. De situatie die hij aantrof in zijn geboorteland stemde hem somber. De mentaliteit van de bevolking was niet meer dezelfde als van voor de oorlog. Hij besloot tot het plegen van Seppuku. Echter in een uiterste vorm van concentratie hoorde hij een stem, deze fluisterde tot hem: "Stel dat je nu doodgaat, wat moet er dan van je gezin te­rechtkomen? Ben je vergeten om hard te trainen om zo de wereld te dienen met het verbreiden van de Martial Arts". Na deze openbaring besloot hij hard te gaan trainen en verder door het leven te gaan als een Martial Arts Master.

In 1948 opende hij zijn eerste naoorlogse dojo en in 1950 richtte hij de All Japan Karate-do Goju-kai Associati­on (JKGA) op. Hij stelde alle scholen in Japan hiervan op de hoogte waar Goju-Ryu onderricht werd. Zeker 30.000 leden reageerden op deze aankondiging. Zij waren verrast maar blij dat Yamaguchi Kaiso de oorlog had overleefd. Onder zijn leiderschap groeide het aantal volgelingen zowel in, als buiten Japan sterk.

In 1951 ontving hij uit handen van Master Chojun Miyagi de 10e Dan Hanshi. In 1954 werd aan Gogen Yamaguchi Kaiso ge­vraagd zijn medewerking te verlenen aan de totstandko­ming van een nationale Japanse karate organisatie. Pas in oktober 1964 zou deze organisatie gestalte krijgen onder de naam Federation of All Japan Karate-do Organisations (FAJKO)­, t­ha­ns 'Japan Karate-do Federation' (JKF)­.

Doordat het aantal beoefenaars van Goju Ryu Karate-do buiten Japan sterk toe­nam, richtte Gogen Yamaguchi Kaiso in 1965 de International Karate-do Goju-kai Associati­on (IKGA) op. Ook startte hij met een Karate-do college, met als doelstelling om enerzijds het opleiden van goed gekwalificeerde leraren te waarborgen, zeker nodig buiten Japan, anderzijds dat de studenten onderricht kregen van Meesters uit de verschillende stijlorganisa­ties en disciplines, waaron­der ook Kobujutsu (traditionele wapentrai­ning). Hij voegde aan het technisch curriculum de Taikyoku kata toe.

Gogen Yamaguchi Kaiso werd ook wel de 'cat' genoemd, dit om zijn gracieu­ze manier van bewegen en vanwege zijn favoriete ge­vechtsstand, 'Nekoashi Dachi'. Hij combi­neerde zijn reli­gie Shinto met yoga en karate trai­ning. Door zijn jarenlange ervaring was hij ervan overtuigd dat lichaam en geest onlosmakelijk met elkaar in relatie staan en dat door een correcte ademhaling en concentratie de ware betekenis van de Martial Arts beter begrepen kan worden. Dit is dan ook één van de redenen waarom binnen het systeem van Goju-kai Karate-do de diverse ademhalingsmethoden (Ibuki No Ho) zo'n belangrijke plaats innemen.

Door de voorzitter van de Kokusai Budo Renmei (The International Martial Arts Federati­on) kreeg hij als eerste Japanner de titel Shihan. Tevens ontving hij in 1969 voor zijn inzet ten aanzien van de verbreiding van karate en de doelstelling die hij voor ogen had om zo jonge mensen van verschillende culturen tot elkaar te brengen, de keizerlijke onderscheiding genaamd: Ranju-Hosho.

Gogen Yamaguchi Kaiso was tijdens zijn leven al een legende, een Grootmeester die beide aspecten van het Goju Ryu Karate-do in harmonie heeft gebracht. Master Gogen Yamaguchi overleed op 20 mei 1989 te Tokyo op 80 jarige leeftijd. Het bestuur van de JKGA heeft besloten om hem de ere titel Kensei (heilige van de Martial Arts) te geven en dat hij voortaan met Kaiso (grondlegger van de organisatie) aangesproken dient te worden. 

 

Saiko Shihan Goshi Yamaguchi Hanshi

Goshi Yamaguchi Hanshi werd op 28 september 1942 geboren in Shinjing, gelegen in de Chinese provincie Mantsjsoe­rije. In augustus 1945, na beëindiging van de oorlog, vertrok hij samen met zijn moeder, zus en twee broers terug naar Japan, terwijl zijn vader als krijgsge­vangene werd afgevoerd naar Siberië.

Een jaar na de opening van eerste naoorlogse dojo in het district Asakusa te Tokyo, zou Goshi Yamaguchi Hanshi officieel onder leiding van zijn vader gaan trainen. Op 14 jarige leeftijd, na ruim zeven jaar van intensieve training, slaagde hij in 1957 voor het 1e Dan examen. In de daarop volgende periode trainde hij samen met zijn twee oudere broers in verschillende dojo's verspreid over Japan.

De officiële voornaam welke hij bij zijn geboorte had gekregen luidde Hirofumi, maar na het behalen van de 2e dan in 1959 ontving hij, conform de familietraditie, de naam Goshi, wat zoiets betekent als; bewaarder of bewaker van de schiedenis met betrekking tot het Goju Ryu Karate-do. Na het behalen van de 3e Dan en tevens het lerarendiploma in 1962, startte hij met het geven van karate onderricht in verscheidene dojo's te Tokyo.

Tijdens zijn studentenperiode aan de Nihon universiteit vertrok hij voor ruim een jaar naar de Verenigde Staten van Amerika om in Californië zijn oudste broer, Gosei Yamaguchi Shihan, te assisteren in diens dojo. Toen hij in 1969 afstudeerde werd hij leraar in de Honbu-dojo van zijn vader, alwaar hij in 1971 speciaal werd belast met het lesgeven aan buitenlandse studenten. Gedurende een periode van 12 jaar bezocht hij als officieel erkend karate leraar van de JKF veel landen om het karate te promoten.

Binnen het wedstrijd karate functioneerde hij als een hoog gekwalificeerde scheidsrechter op wereldniveau voor zowel kata als kumite. Nadat in mei 1989 zijn vader was overleden volgde hij deze in 1990 op als president van de JKGA en IKGA. Hij bezit thans de 8e Dan Hanshi met als aan­spreek titel Saiko Shihan, ofwel hoogste Shihan van de organisatie. Zijn inzet voor het Goju Ryu Karate-do is enorm en de bijdrage die hij heeft geleverd ten aanzien van nieuwe trainingsmethodieken binnen de organisatie zijn indrukwekkend te noemen. Hij is een voorbeeld voor vele karate studenten en leraren. Het is dan ook een voorrecht om onder zo'n grootmeester te mogen trainen.